Logo noordwijkerhoutsweekblad.nl
Foto:
column van caro

Pietenlach

Sinds ik me kan heugen ben ik bang voor de tandarts. Als ik moest kiezen, baar ik nog liever een kind. Dan is er na de pijn de euforie. Eerder met mijn benen wijd voor de verloskundige dan met mijn mond wijd voor de tandheelkundige. Vandaar die scheve hoektand. Ik ben er allesbehalve trots op en sta zelden lachend op een foto. Een beugel heb ik nooit aangedurfd. Het zal het trauma wel zijn uit mijn kleutertijd, toen de tandarts zonder verdoving een melkkies trok en een bloedader in de haast meenam. Gillen. Bloed all over the place. Maar voor bloed ben ik nooit bang geweest. Ik werkte nota bene lange tijd bij een bloedbank.

 

Een bijzondere tijd met fijne collega’s waarmee ieder jaar overigens uitgebreid Sinterklaas werd gevierd. Voor de jonge kinderen van mijn collega’s hadden we een échte Sint (de wat morsige administrateur met een zware rookstem) en een échte Zwarte Piet (dat was ik). Omdat onze bloedbank de bloedvoorraad in heel de provincie Zeeland verzorgde, gingen we ook op pad bij kinderen van collega’s daar. In de bananen-gele Lelijke Eend van een van mijn collega’s reden we met haar aan het stuur, Sinterklaas ernaast met z’n mijter af en met zijn staf dwars door het open dak en ondergetekende op de achterbank de Moerdijkbrug over, richting Zierikzee. We hadden veel bekijks. Niet zo gek. Ook omdat naast de staf die uit het dak stak, Sinterklaas de ene na de andere Chesterfield rookte. Zijn baard was bijna geel van de nicotine toen we bij het Rode Kruis ziekenhuis arriveerden. Het ‘Sinterklaasje kom maar binnen met je knecht’ klonk uit de gespannen kinderkeeltjes, terwijl de Goedheiligman de longen uit z’n lijf hoestte. Samen met onze chauffeur ondersteunde ik hem altijd naar zijn zetel die de kinderen voor hem hadden versierd. Ach. Jaren ‘80. Toen kon dat. Een rokende, rochelende kindervriend met zijn zwarte knecht. Maar dit allemaal geheel terzijde. 

Eenmaal terug op de bloedbank was de lokale pers aanwezig. Want... Sinterklaas was bloeddonor en ging samen met mij op de foto: zwarte kriebelkrullen onder mijn paarse pietenpet, inclusief roe en juten zak voor de stoute kind’ren. Mijn wattips kwamen daags erna nog zwart uit mijn oren. Op commando van de persfotograaf was het lachen geblazen. Ik lachte mijn scheve tanden bloot. Kon mij het schelen, niemand die me herkende. Maar daarin had ik me vergist. De volgende dag werd ik eerst door mijn ouders en daarna door vrienden gebeld: “Wat leuk! Je staat in de krant!” Hoe dan? Het zou toch niet... “Ik herken je aan je scheve hoektand!” klonk het iedere keer meedogenloos.

Caroline Spaans, redacteur De Hillegommer

Meer berichten